Historiek

Het ontstaan van de BVVVH

Cassie1Het begon allemaal in september 1973 met een artikel over de valkerij in het maandblad ‘De Vogelwereld’ van de AOB (Algemene Ornithologische Bond van België).
Zelf was ik al van in 1959, ik was toen 13 jaar, passioneel bezig met roofvogels. Roofvogels waren toen nog niet beschermd. Ze werden gezien als schadelijke dieren, in die mate zelfs, dat er een actief vervolgingsbeleid werd gevoerd. De vervolging kende haar hoogtepunt in de jaren ’50 en ’60. De Koninklijke Belgisch Duivenbond betaalde destijds een premie van 40 Belgische frank (1 Euro) voor elke gedode roofvogel. Dit premiestelsel bleef in voege tot in 1966. Het was toen vrij gemakkelijk om aan wildvang te geraken, tot in 1972 de vogelvangst met netten officieel verboden werd. Ook het bezit van roofvogels, namelijk de sperwer, het smelleken, de havik en de slechtvalk die voor de jacht gebruikt werden, was wettelijk verboden. ( Richtlijnen voor het herkennen en melden van roofvogelvervolging ) In België is de slechtvalk sinds 1972 wettelijk beschermd, en sinds 1979 is dat het geval in de hele Europese Unie.  De valkerij kende toen een sluimerend bestaan op basis van een systeem van persoonlijke vergunningen voor het houden van een roofvogel met het oog op de jacht.

Het artikel ‘Een koningssport: de valkerij’ sprak mij op een bijzondere manier aan. Het was toen moeilijk om iemand te vinden die dezelfde passie deelde. Zonder aarzelen deed ik navraag bij de AOB en zo kwam ik in contact met de auteur, Norbert Pieters in Anderlecht.
Een paar maanden later, op 9 december 1973, werd te Hasselt de Belgische Vereniging van Vlaamse Valkeniers en Havikeniers (BVVVH) vzw opgericht.
Het doel van onze vereniging was roofvogels op een legale wijze te kunnen houden om ermee te jagen op wild. Onze eerste statutaire vergadering vond plaats in maart 1974. Wij waren toen met 6 oprichters.

  • Norbert Pieters werd de eerste voorzitter van 9 december 1973 tot 29 april 1976.
  • Vervolgens, Mathieu Driessen uit Genk gedurende 9 jaar tot 3 april 1985.
  • Jean D’Haen uit Sint-Truiden gedurende 2 jaar tot 21 juni 1987.
  • René Motmans uit Wijer – Nieuwerkerken gedurende 27 jaar tot 29 maart 2014.

Gunter Daes nam de fakkel over op 29 maart 2014.

Vergunning voor het bezit van een jachtvogel

Met de algehele bescherming van alle roofvogels in België, was er niets in de wetgeving voorzien voor het behoud, noch voor de bevoorrading van roofvogels uit de natuur, ten behoeve van de valkerij.

Om de valkerij als cultuurhistorisch erfgoed te bewaren, werd in afwijking van het Koninklijk besluit van 20 juli 1972 betreffende de bescherming van vogels, vergunning verleend een havik, slechtvalk of andere inheemse jachtvogel, in bezit te houden en te vervoeren met het oog op de vogeljacht. Ze was geldig, telkens voor een hernieuwbare periode van vier jaar en kon op elk ogenblik zonder waarschuwing of rechtvaardiging ingetrokken worden.
Deze vergunning, die op voorstel van het bestuur van de vereniging door de overheid werd verleend, was persoonlijk en aan strenge voorwaarden onderworpen. In samenspraak met de overheid en vertegenwoordigers van natuur- en vogelbescherming waren afspraken gemaakt waarbij zij akkoord waren met een beperkt aantal vergunningen.
Er mocht o.a. geen publiciteit gemaakt worden over de valkerij en het was ook niet toegestaan om deel te nemen aan publieke manifestaties. Dit zou het illegaal bezit van beschermde roofvogels kunnen stimuleren.

Enkele jaren eerder hadden een tiental valkeniers, voornamelijk uit Wallonië, zich verenigd en de Club Marie de Bourgogne (CMB) opgericht. Om reden van het beperkt aantal vergunningen dat toegekend werd, was het vrijwel onmogelijk om er lid te worden. Later zou ook de BVVVH met dat fenomeen geconfronteerd worden.

De hoogste prioriteit van bij de oprichting van onze vereniging was het verkrijgen van vergunningen voor havik. Onze eerste voorzitter Norbert Pieters heeft zich daar enorm voor ingespannen. Hij kon volksvertegenwoordiger Jef Valkeniers – destijds bij de Volksunie en later bij de VLD – overhalen om naar Limburg te komen en er het weispel met een (wildvang) lannervalk te komen aanschouwen. Ik was toen als enige in de vereniging in het bezit van een jachtvogel. Dhr. Valkeniers was overtuigd en gecharmeerd door de mooie vluchten van de valk. Bij de eerstvolgende zitting in het parlement eiste hij evenveel vergunningen voor de Vlamingen als er waren voor de Walen. Dank zij zijn snelle en krachtdadige tussenkomst werden de eerste 5 vergunningen voor een havik in onze vereniging uitgereikt in 1975.

Wij hielden ons strikt aan de voorwaarden en afspraken die met de overheid gemaakt werden. Telkens bij de vierjaarlijkse hernieuwing van de vergunningen was het lobbyen om het aantal vergunningen met enkele eenheden uit te breiden.  De eerste jaren heerste er een concurrentiestrijd om vergunningen tussen de CMB en de BVVVH. Jean D’Haen, voorzitter van 1985 tot 1987, zocht toenadering tot het bestuur van de CMB en werden er afspraken gemaakt om in de toekomst samen bij de overheid te gaan pleiten voor de uitbreiding van vergunningen en deze gelijk te verdelen. Op die wijze, en mede dank zij de kweek van roofvogels in gevangenschap, konden wij het aantal vergunningen uitbreiden tot 25 voor de BVVVH en 25 voor de CMB.

Het aantal leden groeide echter veel sneller dan het aantal vergunningen en de wachtlijst van kandidaten werd steeds langer. Ondanks al onze inspanningen zorgde dit voor ongenoegen en soms voor afgunst. Daarom werd beslist om tijdelijk geen leden meer aan te nemen. Wij kregen het verwijt dat dit geen democratische regeling was. Inderdaad, maar het was de enig mogelijke. Mede door deze toestand en onze strikte gedragscode, werden er nieuwe verenigingen voor valkeniers en roofvogelhouders opgericht.

In 1996 maakte de toepassing van het arrest “Didier Vergy” (zaak C-149/94, Europees Hof van Justitie, 08.02.96) een einde aan het systeem van vergunningen. Vogels die niet aan de natuur onttrokken zijn en in gevangenschap zijn geboren, vallen buiten de wet betreffende de bescherming van de vogels. Sindsdien is aan eenieder toegestaan om gelijk welke vogel, ook roofvogels, die in gevangenschap geboren is en waarvan de legale herkomst kan aangetoond worden, in bezit te hebben, te vervoeren en te verhandelen. Voor de meeste roofvogelsoorten is wel een cites-certificaat vereist.

De jachtvogels

Buiten de inheemse roofvogelsoorten – havik, slechtvalk, sperwer en smelleken – die konden gebruikt worden voor de jacht maar die vergunningplichtig waren, waren wij bij de aanvang aangewezen op uitheemse en exotische soorten. Dat waren vooral saker-, lanner-, lugger- en andere valken, die als alternatief voor de slechtvalk gebruikt werden. Ze werden als wildvang ingevoerd. Nestelingen werden zelden in de handel aangeboden omdat hun overlevingskansen tijdens het vervoer veel kleiner waren. Bovendien waren nestelingen minder geliefd omdat zij soms onnatuurlijk en vervelend imprintgedrag vertonen, maar vooral omdat zij de zo hooggewaardeerde jachtervaring uit de natuur missen.

Voor de havik was er geen waardig alternatief. De Harris Hawk (woestijnbuizerd) en de roodstaartbuizerd waren hier nog niet bekend. Pas in de jaren ’80 werden de eerste exemplaren via Engeland in België ingevoerd. Ondertussen is de Harris vanwege zijn geprezen jachtkwaliteiten, maar vooral om zijn aangenaam gedrag, de populairste jachtvogel geworden.

Ingevolge de wereldwijde achteruitgang van sommige roofvogelsoorten werden ook buiten Europa meer en meer beschermingsmaatregelen genomen. Valkeniers ontwikkelden kweekprojecten in gevangenschap, deels voor de herintroductie in de natuur van met uitsterven bedreigde soorten en deels voor de bevoorrading van jachtvogels voor de valkerij, die door de beschermingsmaatregelen alsmaar moeilijker werd. De eerste roofvogels werden in België in gevangenschap gekweekt door mijzelf. In 1981 kweekte ik 4 jonge lannervalken uit een koppel dat als wildvang in 1977 uit Afrika ingevoerd werd. In 1983 kweekte ik de eerste hybride -slechtvalk x lannervalk- in België door toepassing van kunstmatige inseminatie.

De kweek van roofvogels in gevangenschap luidde een nieuw tijdperk in voor de valkerij. Niet alleen valkeniers, maar ook andere liefhebbers vonden in het houden en kweken van roofvogels een passionele hobby. Hiermee was tevens de bevoorrading voor de valkerij gegarandeerd.
Heden wordt er bij ons geen wildvang meer gebruikt en zijn al onze jachtvogels afkomstig uit de kweek in gevangenschap.
Van wildvang naar kweek in gevangenschap. De valkerij heeft op korte termijn een grote evolutie doorgemaakt. De valkeniers hebben zich aangepast. Met wat meer geduld en inspanningen om de jonge roofvogel het jagen bij te brengen, staan zij vandaag in het veld met een jachtvogel die weinig moet onderdoen voor zijn wilde soortgenoten in de natuur.

Valkerij bedreigd

In de jaren ’90 groeide bij de bevolking de belangstelling voor de natuur. Meer en meer mensen maakten gebruik van de open ruimte. Er ontstonden clubs en verenigingen die wandelingen en andere natuuractiviteiten organiseerden. De groene gedachte zat in de lift. De kritiek, vooral ingegeven door emoties, op alles wat met de jacht te maken had, nam toe. Ook de valkerij ontsnapte daar niet aan.  Vanaf 1990 kwam de valkerij regelmatig onder vuur te liggen.

1991 – het Jachtdecreet

Bij de aanpassing van de Jachtwet met het Vlaamse Jachtdecreet van 24 juli 1991 werd door de parlementsleden de heren L. Dierickx en G. Janzegers een amendement ingediend dat stelde dat jachtvormen zoals de valkerij, de jacht met pijl en boog en de parforcejacht middeleeuwse praktijken zijn die dringend moesten worden afgeschaft.
Ik verdedigde de valkerij bij de bevoegde minister, bij alle grote politieke partijen, bij verscheidene volksvertegenwoordigers en senatoren. Ik vond ook steun bij de jagersvereniging de Koninklijke Sint Hubertus Club van België – KSHCB en bij de Vlaamse Hoge Jachtraad.
De toenmalige Gemeenschapsminister Theo Kelchtersmans (CVP) bevoegd voor Leefmilieu, Natuur en Jacht verzette zich tegen bovengenoemd amendement dat tenslotte verworpen werd met 6 stemmen tegen 3 onthoudingen.

1992 – witboek Valkerij in Vlaanderen

Op vraag van de Vlaamse Hoge Raad voor Natuurbehoud om meer klaarheid te verschaffen over de valkerij in Vlaanderen schreef ik met de medewerking van dhr. Christian de Coune in 1992 het “Witboek Valkerij in Vlaanderen”. Dit rapport van 35 blz. gaf een duidelijk antwoord op de meest voorkomende vragen aangaande alle facetten van de valkerij. De bedoeling was om alle misverstanden en vooroordelen over de valkerij uit de weg te ruimen bij de overheid en bij de organisaties voor natuurbehoud en de jacht. Wij mochten daarbij rekenen op de volledige steun en medewerking van doctor Yves Lecocq, secretaris-generaal van de FACE – Federation of Associations for Hunting and Conservation of the E.U.

Wettelijke erkenning van de valkerij

Officieel bestond de valkerij in België niet. Ze was niet verboden maar ze had geen wettelijk statuut. Nergens, in geen enkele officiële tekst werd de jacht met roofvogels vernoemd.  Geen wettelijk statuut hebben houdt in dat er ook geen bescherming is. Ze werd gedoogd en aan de goodwill van de overheid overgeleverd. Ik vond dat een wettelijk statuut dringende noodzaak was.
Daarvoor moest de valkerij de discretie die ze gewoon was doorbreken en zich openlijk voor een parlementaire commissie ter discussie stellen. Dit stuitte op terughoudendheid bij collega’s omdat men vreesde dat een kleine groep valkeniers het niet kon halen tegen de toenemende druk van de grote natuurverenigingen. Daarmee stond onze vereniging alleen met haar voornemen.
Vastberaden stelde ik een gedetailleerd dossier samen met duidelijk geargumenteerde voorstellen voor de implementatie van de jacht met roofvogels in het openingsbesluit van de jacht in Vlaanderen.

1993 – de officiële erkenning van de jacht met roofvogels

Bij de voorbereiding van de openingsbesluiten van de jacht in het Vlaamse Gewest voor de periode 1993 – 1998, werden door tegenstanders voorstellen ingediend om de jacht met roofvogels niet te openen. Ik maakte toen mijn dossier over aan de bevoegde minister Norbert De Batselier (SP). Ik nam persoonlijk contact op met al de bevoegde overheden en de personen en organisaties die daarbij betrokken waren, om mijn voorstel te bepleiten. Het dossier vond steun bij senator Georges Beerden (CVP), voorzitter van de commissie Jachtdecreet, bij de heer Silvester Tys -hoofdingenieur-directeur van de administratie van het ministerie bevoegd voor Natuur en Jacht en bij de heer Paul Wijndaele, voorzitter van de jagersvereniging KSHCB. De Vlaamse Hoge Jachtraad gaf een gunstig advies en de Vlaamse Hoge Raad voor Natuurbehoud had geen bezwaren.
Uiteindelijk, in de officiële publicatie van de openingsbesluiten van de jacht in het Vlaamse gewest voor de periode 1993 – 1998 werd de jacht met roofvogels uitdrukkelijk toegestaan voor kleinwild en overig wild. In datzelfde besluit werden roofvogels opgenomen bij de wettige middelen die bij de bestrijding van konijnen en houtduiven mogen worden gebruikt.
Dit was een cruciale doorbraak. De jacht en de bestrijding met roofvogels werd voor het eerst vermeld, toegestaan en geregeld in een officieel wettelijk document. Hiermee werd de valkerij in Vlaanderen wettelijk erkend en kreeg ze ook voor het eerst rechtszekerheid. Onze vereniging ontving hiervoor de felicitaties van de heer Christian de Coune, toenmalig voorzitter van de IAF en voorzitter van de CMB.

Relaties

De ervaring maakte duidelijk dat de tijd van politiek lobbywerk en steun zoeken op basis van goodwill bij politici voorbij was. Om de belangen van de valkerij op een adequate wijze te kunnen behartigen was telkens een geloofwaardig dossier met duidelijke en doorslaggevende argumenten noodzakelijk.
Public Relations is daarbij eveneens zeer belangrijk. Daarom werden onze contacten met bij jacht en natuur betrokken organisaties uitgebreid. Ik werd als vertegenwoordiger voor de valkerij in Vlaanderen opgenomen in het nationaal bestuur van de jagersvereniging KSHCB. Daardoor maakte ik deel uit van verscheidene commissies en werd door de overheden uitgenodigd om deel te nemen aan de besprekingen betreffende de jacht, CITES, dierenbescherming en dierenwelzijn. Door regelmatig samen te werken met vogelopvangcentra van de vzw Vogelbescherming Vlaanderen werd een goede relatie met wederzijds respect opgebouwd. Op aanwijzen van dhr. Jan Rodts, toenmalig directeur van Vogelbescherming Vlaanderen, verzocht mevr. Jenny De Laet, doctor in de Wetenschappen en de Gedragsecologie verbonden aan de VUB, om mijn medewerking voor haar boek “Valken rond de toren” uit haar boekenreeks “Vogels rondom ons”.

Openingsbesluiten van de jacht periode 1998 – 2003

Bij de voorbereiding van de openingsbesluiten van de jacht voor de periode1998 – 2003 diende ik een goed gedocumenteerd voorstel in om de jacht met roofvogels ook op waterwild toe te staan. Het voorstel kreeg de volledige steun van de directeur van Vogelbescherming Vlaanderen. In de ontwerptekst waarbij de vereniging Vogelbescherming de jacht steeds zoveel mogelijk tracht te beperken, stelt dhr. Jan Rodts zich in tegenstelling tot de jacht met vuurwapens, positief op tegenover de valkerij en stelt expliciet voor om de jacht met roofvogels op wilde eenden toe te staan.
Bij de administratie van het ministerie voor Leefmilieu, Natuur en Jacht werd ir. Silvester Tys die met pensioen ging, als hoofdingenieur-directeur opgevolgd door zijn naaste medewerker de heer ir. Marc Van den Meersschaut. Er is altijd een zeer goede relatie geweest met de directie van de administratie. Zij waren steeds bereid om ons te ontvangen en om naar ons te luisteren. Zij hebben ons telkens met raad en daad geholpen waardoor zij  ongetwijfeld  een cruciale rol hebben gespeeld in de positieve evolutie die de valkerij op dat gebied meemaakte.

Openingsbesluiten van de jacht periode 2003 – 2008

Vogelbescherming Vlaanderen dient voorstel in voor de volledige afschaffing van de jacht met roofvogels.
Als gevolg van de toepassing van het arrest “Didier Vergy” (zaak C-149/94, Europees Hof van Justitie, 08.02.96) nam het aantal roofvogel- en uilenhouders spectaculair in aantal toe. Overal daagden zogenaamde valkeniers op, ontstonden nieuwe verenigingen en werden er valkerijdemonstraties georganiseerd. In allerlei tijdschriften werden roofvogels en uilen te koop aangeboden. Dit zorgde voor grote ergernis bij Vogelbescherming Vlaanderen. Hoewel deze activiteiten totaal niets met valkerij te maken hebben, was dit de directe aanleiding voor Vogelbescherming Vlaanderen om bij de voorbereiding van de nieuwe openingsbesluiten van de jacht, een voorstel in te dienen voor de volledige afschaffing van de jacht met roofvogels.
Onze ongerustheid was terecht zeer groot omdat de bevoegde minister, mevr. Vera Dua, van Agalev (Groen) was. Ik stelde terug een goed gedocumenteerd dossier op waarin alle bezwaren van Vogelbescherming werden ontkracht. Hieraan werden eigen voorstellen en tekstwijzigingen toegevoegd die de bestaande onduidelijkheden in de openingsbesluiten moesten wegnemen en die meer mogelijkheden voor de valkerij inhielden.

Ons dossier kon de minister overtuigen. De jacht met roofvogels werd niet afgeschaft en onze voorstellen werden letterlijk overgenomen in de openingsbesluiten van de jacht voor de periode 2003 – 2008. Het siert de minister dat zij in alle objectiviteit een besluit nam dat volledig inging tegen de voorstellen van haar eigen achterban.

Openingsbesluiten van de jacht periode 2008 – 2013

Het gebruik van exoten en hybriden verbieden voor de jacht.
In 2008 waren we al weer toe aan een nieuw openingsbesluit voor de jacht en in een nieuwe poging om de pseudo-valkerij te beperken, deed Vogelbescherming Vlaanderen een voorstel om de jacht met exoten en hybriden te verbieden. Dat zou inhouden dat men o.a. ook niet meer met de Harris Hawk zou mogen jagen. Een verbod om met exoten en hybriden te jagen zou zijn beoogde doel volledig voorbijschieten. Het zou enkel de ware valkeniers treffen en totaal geen effect hebben op de pseudo-valkerij en de demonstraties met roofvogels. Ook dat voorstel werd met stevige argumenten verijdeld.

Wettelijk verplicht valkerijexamen

Op 22 september 2005 werd op initiatief van de BVVVH een werkgroep samengesteld uit afgevaardigden van alle valkerijverenigingen in Vlaanderen, allen vzw’s met op dat ogenblik een anciënniteit van tenminste 5 jaar, met name:

  • Club Maria van Bourgondië – Club Marie de Bourgogne (CMB)
  • Belgische Vereniging van Vlaamse Valkeniers en Havikeniers (BVVVH)
  • Vluchtbedrijf de Valkenier (VBdV)
  • Studiegroep Behoud Valkerij (SBV)
  • Flanders Valkerij Academie (FVA)

Vier verenigingen waren unaniem voor, CMB onthield zich:
1. Een wettelijk verplicht officieel jachtexamen, aangepast voor valkeniers, het valkerijexamen;
2. Een verplichte verzekering burgerlijke aansprakelijkheid waarvan de waarborg gelijk is aan de waarborg opgelegd door de reglementering inzake de verplichte aansprakelijkheidsverzekering voor het verkrijgen van een jachtverlof.
Het voorstel werd in 2006 overgemaakt aan de bevoegde minister Kris Peeters, ir. Marc Van den Meersschaut Agentschap Natuur en Bos, Jan Rodts Vogelbescherming Vlaanderen, de Hubertus Vereniging Vlaanderen en het Instituut voor de jachtopleiding,

Belgische Valkerij Federatie – Valkeniers.be vzw./a.s.b.l. – Féderation Belge de la Fauconnerie

De zorg voor de belangen van de valkerij eiste steeds meer inspanningen. Het was ten zeerste aangewezen dat de valkerijverenigingen zich organiseerden om in de toekomst gezamenlijk hun belangen te behartigen. Niet minder belangrijk was hun identiteit te bevestigen en het verschil te maken met de verenigingen van roofvogelhouders. De eerste poging van de BVVVH in 2004 om een koepelorganisatie op te richten mislukte.
In 2007 werden, opnieuw op initiatief van de BVVVH, gesprekken aangevat met het VBdV, de SBV, FVA en Valkeniers.be. Dat heeft uiteindelijk, op 27 mei 2010, geleid tot de officiële oprichting van de Belgische Valkerij Federatie – Valkeniers.be vzw./a.s.b.l. – Féderation Belge de la Fauconnerie, die onder de uitstekende leiding van haar voorzitter dhr. Kris Ulens, al is uitgebreid tot acht   verenigingen. Dank zij de inspanningen van Kris is de valkerij in 2010 in Vlaanderen door UNESCO erkend is als immaterieel cultureel erfgoed.

Dienst Dierenwelzijn FAVV  (Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen)

Als gevolg van steeds wederkerende klachten van opvangcentra over te vaak verloren gevlogen “valkerij”-vogels die zij moeten opvangen en op aandringen van Vogelbescherming Vlaanderen is de raad voor dierenwelzijn in 2007 gestart met een onderzoek. De heer Jan Rodts viseert niet de valkerij – aldus het FAVV – maar is wel erg gekant tegen wat hij noemt “de pseudo-valkeniers”.  Hij is tegen roofvogelshows en tentoonstellingen van roofvogels en uilen. Dergelijke manifestaties zouden ook het houden van roofvogels en uilen stimuleren. Er kwamen ook steeds meer klachten bij de Dienst Dierenwelzijn binnen over de huisvesting van roofvogels en er werden welzijnsproblemen vastgesteld.
Op aanwijzen van dhr. Jan Rodts nam het FAVV met mij contact op. Vervolgens heeft de Raad voor Dierenwelzijn begin 2009 de “werkgroep Roofvogels” opgericht. De werkgroep bestond uit vertegenwoordigers van de Federale Overheidsdienst, de diergeneeskunde, de wetenschap, de universiteiten Leuven en Gent en alle belangengroepen waaronder de valkeniers, de kwekers, de liefhebbers van roofvogels en uilen, de roofvogelshows, vogelbescherming en de opvangcentra voor vogels en wilde dieren. Er kwam een evenwichtig wetsvoorstel tot stand dat het welzijn van de vogels, de beoefening van de valkerij en het houden van roofvogels in gevangenschap ten goede komt.  De Raad heeft dit advies overgemaakt aan bevoegd minister Laurette Onkelinx.

René Motmans
Erevoorzitter BVVVH